Centrum voor Vredesethiek - Enkele publicaties
Zand erover?
R. BURGGRAEVE, J. DE TAVERNIER, D. POLLEFEYT (eds.), Zand erover? Vereffenen, vergeven, verzoenen (Cahiers voor Vredestheologie 12), Leuven, Davidsfonds, 2000, 245 p.
In "Zand erover?", het twaalfde nummer van de reeks Cahiers voor Vredestheologie en tevens de Pax Christi Pocket voor het jaar 2000, wordt enerzijds in verschillende bijdragen het accent gelegd op de ernst van allerlei zichtbare en onzichtbare, grove en geniepige, buitensporige en gewone vormen van begaan en aangedaan kwaad, en dus ook op de onmisbare vereffening en rechtzetting. Hierbij zal de idee van juiste maat en proportie op de voorgrond treden, wat we een ethische logica van rechtvaardigheid en billijkheid kunnen noemen. Anderzijds zal een even sterke klemtoon liggen op de transethische dimensie van barmhartigheid en vergeving. In de vergeving manifesteert zich immers het ongebreideld karakter van de liefde, een disproportie en gratuïteit die elke evenredigheid en wederkerigheid overschrijdt. We kunnen dit een logica van de buitensporigheid noemen. Het is zeker niet de bedoeling de spanning tussen vereffening en vergeving op te heffen, maar deze integendeel heel scherp aan de orde te stellen, namelijk als een echte provocatie om verder door te denken over ons eigen bestaan en alle menselijk samenleven, als een onophefbaar spanningsveld tussen rechtvaardigheid en barmhartigheid. Voor dit denkproces hebben we eminente specialisten bereid gevonden om in deze spanning te gaan staan. Het denkproces wordt op de sporen gezet door Prof. Dr. Frits de Lange, hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit te Kampen (Nederland). In zijn bijdrage schetst hij het panorama van de verschillende dimensies en vragen die het thema van de vergeving zowel menselijk als christelijk, ethisch als theologisch stelt. Doorheen deze evocatieve schets ontwikkelt hij de krachtlijnen van een christelijke en sociaal-ethische visie op vergeving. Prof. Dr. Jean Monbourquette, therapeut en pastoraaltheoloog aan het Instituut voor Pastoraal aan de Universiteit van Sint-Paulus te Ottawa (Canada), stelt in zijn bijdrage niet alleen foute, eenzijdige of reducerende concepten van vergeving in vraag. Hij ontwikkelt tevens een integraal, vernieuwend concept van vergeving, benaderd vanuit het 'slachtoffer' van een of andere vorm van aangedaan kwaad, zoals bijvoorbeeld belediging, ontrouw, schending, pesterij, minachting, onrecht. Als klinisch psycholoog besteedt hij uiteraard ruime aandacht aan de psychologische processen en stappen die de interpersoonlijke vergeving niet alleen mogelijk maken maar ook laten uitgroeien tot een genezingsproces. Even uitdrukkelijk werpt hij licht op de transpsychologische, met name religieuze aspecten van de vergeving. Daarbij laat hij zich vooral inspireren door de christelijke visie op Gods liefde en barmhartigheid, waardoor de vergeving tevens haar transethisch karakter ontvangt, zonder echter tot een vorm van goedkope of automatische genade weggespiritualiseerd te worden. Twee specialisten, namelijk Dr. Hanneke Meulink-Korf en Dr. Aat van Rhijn, respectievelijk universitair docente praktische theologie in Amsterdam en Leiden en supervisor en begeleider contextuele pastoraal, werpen hun licht op de contextuele of intergenerationele therapie van de Hongaars-Amerikaanse psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy. Vanuit de kernbegrippen van zijn therapeutisch denken - zoals onzichtbare en botsende loyaliteiten, constructief en destructief recht, relationele ethiek en andere - laten zij zien waarin de idee van exoneratie of 'ontheffing' van schuld zowel verwant is met, als verschilt van, verontschuldiging, vergelding en vergeving. Deze bijdrage maakt duidelijk hoe de idee van vergeving op verschillende manieren kan begrepen worden. Hun vertoog laat toe een verkeerd begrepen, paternalistische idee van vergeving te ontmaskeren en onder kritiek te stellen.
Onze verkenning beperkt zich echter niet tot de vergeving op interpersoonlijk vlak. Ook de sociale en politieke dimensie krijgt volle aandacht, zoals van meet af aan werd aangekondigd. Al te frequent of al te simplistisch wordt de vergeving nog steeds versmald tot de individuele en interpersoonlijke en vooral religieuze sfeer van de verhouding tussen de mens als zondaar en God die zijn barmhartigheid schenkt. Eén van de stellingen van dit boek is precies dat deze reductie nefast is, niet alleen voor de samenleving maar ook voor de idee van vergeving èn voor de christelijke religie die ze tot de kern van haar geloof en praktijk rekent. Prof. Dr. Johan De Tavernier is hoogleraar ethiek aan de KU Leuven en verricht onder meer onderzoek omtrent sociale kwesties, vredes- en bevrijdingsethiek. Hij richt in zijn bijdrage alle aandacht op het probleem van onze menselijke schuld. In tegenstelling tot de gebruikelijke klemtoon op de subjectieve verantwoordelijkheid, de slechte wil en de intentionele schuld, gaat hij in op de weliswaar minder zichtbare maar daarom niet minder reële vormen van objectieve schuld, en in het bijzonder van collectieve, sociale, structurele en geïnstitutionaliseerde zonde, om zich dan de vraag te stellen wat in deze context vereffening en vergeving kunnen betekenen. In de bijdrage van Prof. Dr. Didier Pollefeyt, deeltijds docent aan de KU Leuven en postdoctoraal onderzoeker, komt de vraag aan bod hoe vergeving en verzoening een nieuw begin kunnen betekenen voor daders en slachtoffers in onze post-Dutroux-samenleving, in het besef dat mensen van nature helemaal niet vergevingsgezind zijn. Ontkracht de vergeving niet het terechte verlangen naar rechtvaardigheid, straf en vereffening? Zijn vergeving en verzoening een valkuil of een springplank naar een betere samenleving? In het bijzonder luidt de vraag hoe in onze samenleving zowel voor daders als voor slachtoffers vergeving mogelijk is, zonder het aangedane kwaad en leed te bagatelliseren. Dat de vergeving ook in de politiek een rol te spelen heeft, werd tot recent nooit echt ernstig genomen. Sedert zijn baanbrekend werk Forgiveness in Politics. An Ethic for Enemies (1995) heeft Prof. Dr. Donald W. Shriver, Jr. (hoogleraar aan het 'Union Theological Seminary' te New York en Emeritus Voorzitter van 'The Society for Christian Ethics' in Amerika) zich ontpopt tot de grote pleitbezorger van de specifieke, onmisbare functie van vergeving en verzoening in nationale en internationale politiek. In zijn bijdrage laat hij zien onder welke voorwaarden dit kan. Hij blijft uitvoerig stilstaan bij het belang van de herinnering en haar symbolische bemiddelingen. In de afsluitende, tegelijk inclusieve bijdrage van dit boek herneemt Prof. Dr. Roger Burggraeve, gewoon hoogleraar ethiek aan de KU Leuven, op zijn eigen, eerder filosofische wijze het thema van dit boek: de verhouding tussen aangedaan kwaad, schuld en vergeving. Daarvoor vertrekt hij vanuit een bepaalde ontwikkeling van het menselijk fout- en schuldbewustzijn: van mystieke naar opzettelijke fout, over relationele schuld naar sociale en intergenerationele fout. Tegen deze achtergrond schetst hij dan zowel de grenzen als de paradoxale rijkdom van bekentenis en vergeving.
Ethiek als intimiteit met God?
R. Burggraeve & D. Pollefeyt, Ethiek als intimiteit met God? Christelijke ethiek in gesprek met joodse denkers (Verkenning & Bezinning. Een reeks geschriften over de verhouding van de Kerk en het Joodse Volk) Kampen, Kok, 1998, 136 blz., ISBN 90-24293-25-1.
Het Tweede Vaticaans Concilie bracht bij christenen een hernieuwde belangstelling voor de joodse denkwereld op gang. Na eeuwen van apologie en rivaliteit moedigde de katholieke Kerk in haar conciliair spreken christenen aan om in hun relatie met de Synagoge eindelijk de weg te kiezen van het respect, de openheid en de ontmoeting. In deze nieuwe context ontstond een ongekend verrijkende dialoog tussen joden en christenen en in het verlengde hiervan een positieve valorisatie van joodse inzichten, zonder dat daarmee onmiddellijk het christendom tot het jodendom werd herleid. Wellicht was ook de nieuwe aandacht van het concilie voor de bijbel niet vreemd aan deze wende van christenen naar het jodendom. Tot voor Vaticanum II was de katholieke moraaltheologie vooral op een filosofisch denkkader, met name de neo-scholastiek, gesteund. De terugkeer van de postconciliaire kerk naar de bijbel luidde voor de katholieke moraaltheologie tegelijk de terugkeer naar het jodendom in. In deze studie wordt de inwerking van het joods denken op het christelijk-ethisch gedachtengoed sinds Vaticanum II onderzocht. Nagegaan wordt hoe de hernieuwde christelijke `receptie' van het joodse denken in de christelijke denk- en leefsfeer feitelijk is verlopen. De vraag staat centraal wat het jodendom, of beter, wat wij `joods denken' plegen te noemen, op het einde van het tweede millenium aan christenen te denken heeft gegeven en nog steeds geeft. In deze studie komen grote moderne joodse denkers aan bod zoals Rosenzweig, Buber, Heschel, Levinas, Rubenstein en Fackenheim. Centraal staat de vraag hoe hun inzichten het christelijke denken in deze eeuw hebben beïnvloed en op welke punten het christelijk denken ten aanzien van hun benadering andere wegen is gegaan. In het laatste hoofdstuk wordt vanuit deze analyse een visie ontwikkeld op de hedendaagse crisis van de godsdienst.
Heeft de traditie van de mensenrechten nog toekomst?
J. De Tavernier & D. Pollefeyt (red.), Heeft de traditie van de mensenrechten toekomst? (Didachè: geloof en cultuur) Leuven, Acco, 1998, 251 blz.
Op 10 december 1948 werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens plechtig afgekondigd in New York. In de aanhef van de Verklaring wordt gezegd dat de "erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld".
Eertijds schreef B.J. De Clercq: "In de wereld vandaag, waarin het hemels baldakijn van een religieus geloof zijn overkoepelende kracht lijkt verloren te hebben, verschijnen de verklaringen over de rechten van de mens als het meest universele Credo dat ooit werd beleden en dat geen ketters of afvalligen schijnt te kunnen dulden" (Politiek en het goede leven, Leuven, Acco, 1981, p. 17).
Sinds het einde van de achttiende eeuw verlaat men de eeuwenoude idee dat de rechten en belangen van het individu ondergeschikt zijn aan de zorg om het algemeen welzijn. In het moderne politieke denken staat het soevereine individu met het natuurlijk recht op vrije zelfbeschikking voorop. Dit was de geschikte voedingsbodem voor het ontstaan van de mensenrechten.
Het mag verbazen dat het mensenrechtendiscours zo'n snelle ontwikkeling kende en ondertussen een universele zaak geworden is. De mensenrechten zijn een kristallisatiepunt geworden van het streven naar rechtvaardigheid en een grotere humanisering van onze leefwereld. Overal ter wereld zijn er ondertussen mensenrechtenorganisaties die de naleving van de mensenrechten nastreven. De grote aanwezigheid van dergelijke organisaties doet al vermoeden dat mensenrechten op grote schaal en op flagrante wijze worden geschonden. Voorbeelden zijn er bij de vleet: in hoeveel landen wordt de menings-, gewetens- of persvrijheid niet beknot? Godsdienstvervolging, foltering en vrijheidsberoving zonder aanleiding komen nog op grote schaal voor. Wat doen sommige westerse landen om het recht op arbeid of het recht op onderwijs te realiseren? Dat mensen gevoeliger geworden zijn voor de schending van mensenrechten is een belangrijke zaak. In essentie gaat het immers om de bescherming van de menselijke waardigheid.
Het is echter niet gemakkelijk te omschrijven wat de rechten van de mens precies inhouden. Er leven namelijk verschillende cultureel gekleurde visies over de betekenis van de mensenrechten. Mensenrechtenverklaringen zijn een neerslag van een traditie waarin het ethisch zelfverstaan van de menselijke waardigheid in verschillende culturen doorzichtig wordt. De formele eensgezindheid over de mensenrechtenverklaring van de Verenigde Naties verbergt een aantal dubbelzinnigheden en interpretatieproblemen. Niemand zal ontkennen dat regeringen, volksgemeenschappen en culturen de mensenrechten als norm dienen te erkennen. Maar het beroep op die waarheid is in de praktijk verscheiden en tegenstrijdig zoals soms duidelijk wordt in het feit dat het mensenrechtendiscours gebruikt wordt als een ideologisch wapen in het internationale politieke machtsspel.
In dit boek worden een aantal eigentijdse interpretatieproblemen rond de mensenrechten besproken. Er wordt aandacht besteed aan de discussie tussen zij die menen dat er geen transcultureel en transhistorisch perspectief op mensenrechten bestaat en zij die menen dat de mensenrechten wel degelijk alle particuliere culturele opvattingen overstijgen en kunnen functioneren als een ethisch waarheidscriterium waaraan alle praktijken en groepstradities kunnen getoetst worden. Een ander discussiepunt betreft het feit dat met het mensenrechtendiscours de subjectieve willekeur van de westerse mens over de hele wereld verspreid wordt en het plichts- en gemeenschapsbesef overwoekert. Wordt hierdoor de reële sociale betrokkenheid van mensen niet vernietigd? Of bieden de tweede en derde golf mensenrechten voldoende weerwerk? Zijn de mensenrechten wel bruikbaar voor de vaak complexe problemen waarmee de wereld geconfronteerd is? Of moeten we het positief bekijken vanuit de vaststelling dat de mensenrechten minimale basisvoorwaarden aangeven waarbinnen er verder kan gediscussieerd worden. Daarnaast is er de vraag hoe de mensenrechten zich verhouden ten aanzien van religieuze tradities, in het bijzonder de christelijke en islamitische traditie. Moeten gelovigen zich opwerpen als de vurige verdedigers van de mensenrechten? Of holt het mensenrechtenvertoog de rijkdom van particuliere geloofstradities uit? En tenslotte is er de vraag naar de afdwingbaarheid van dergelijke rechten.
Deze studie verschijnt in het jaar waarin de vijftigste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens wordt herdacht (1948-1998), bestaat uit meer dan 30 bijdragen van specialisten van Belgische en Nederlandse universiteiten en hoopt vanuit de academische wereld een bijdrage te leveren aan de sociaal-ethische en politieke actualiteit en de voortgaande wetenschappelijke studie van de mensenrechten. Het boek is opgedragen aan prof. dr. B.J. De Clercq, ter gelegenheid van zijn emeritaat, als dank voor de vele jaren dat hij aan de Faculteit Godgeleerdheid te Leuven mensen ingeleid heeft in de sociale ethiek.
