Centrum voor Vredesethiek - Recentste Colloquia
Clash tussen wereldbeelden? Moslims en christenen over de pretentie van het Westen
De gebeurtenissen van 11 september 2001 hebben op dramatische wijze aan het licht gebracht hoe de breuklijnen tussen de culturen de grote strijdlijnen van de 21ste eeuw zijn geworden. Naties blijven de belangrijkste actoren op het wereldforum. Maar de voornaamste conflicten in de wereldpolitiek zullen plaats grijpen tussen naties met verschillende culturen of binnen naties met verschillende culturen. De clash tussen wereldbeelden zal de globale politiek van dit nieuwe tijdperk in belangrijke mate tekenen. In vergelijking met andere beschavingen is het Westen op het hoogtepunt van zijn macht. De rol van aloude tegenstanders, voorheen supermogendheden, lijkt uitgespeeld. Militaire conflicten tussen westerse staten onderling zijn haast ondenkbaar geworden. Op politiek, cultuur, economisch en militair vlak is het Westen steeds meer zijn agenda aan de wereld gaan opleggen. Als men over 'wereldgemeenschap' spreekt, dan bedoelt men daarmee vaak impliciet de belangen van de Verenigde Staten en de andere westerse mogendheden. Het Westen hanteert internationale instituties, morele codes, militaire middelen en economische mechanismen om de wereld zo te laten functioneren dat het westerse overwicht behouden blijft, de westerse waarden behartigd worden en de westerse politieke en economische waarden gestimuleerd worden. Dit is althans de manier waarop niet-westerlingen tegen de zaak aankijken, en er zit een grond van waarheid in hun opvatting. En hoewel ook dit niet-westers perspectief beperkt is, oefent het een enorme invloed uit op de manier waarop de wereld functioneert.
Het is slechts als men oppervlakkig kijkt, dat men de mening kan toegedaan zijn dat het Westen de rest van de wereld (al) teruggedrongen heeft. Op een dieper niveau blijven de westerse ideeën vreemd aan ideeën die in andere beschavingen gangbaar zijn. In islamitische, confucianistische, Japanse, hindoeïstische, boeddhistische en orthodoxe culturen hebben westerse opvattingen (nog) niet erg diep wortel geschoten. Denk aan opvattingen over autonomie, liberalisme, constitutionalisme, mensenrechten, gelijkheid, vrijheid, gerechtigheid, democratie, vrije markt, scheiding van kerk en staat, etc.
Pogingen van het Westen om dergelijke ideeën en waarden te verspreiden roepen vaak kritische reacties op tegen het 'imperialisme van de mensenrechten' en leiden tot een herbevestiging van de lokale, niet-westerse culturen, waarden, normen, etc., zoals bijvoorbeeld kan vastgesteld wordt in de toenemende steun aan religieus fundamentalisme door een jongere generatie binnen niet-westerse culturen. De eigenlijke veronderstelling dat er zoiets bestaat aan een 'universele cultuur' wordt een westerse idee genoemd.
Verloop van het colloquium
Na de verwelkoming door Prof. dr. Johan De Tavernier wordt het woord gegeven aan de sprekers, Prof. Johan Leman (hoogleraar Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de K.U. Leuven; en Directeur-generaal van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding) en Dhr. Youssef Souissi (Voorzitter van de Vereniging voor Ontwikkeling en Emancipatie van Moslims). Zij richten hun aandacht op de botsing tussen het westers en islamitisch wereldbeeld. Op deze manier wordt aan het licht worden gebracht hoe de christelijke en islamitische geloofsovertuiging tot een constructieve interculturele en interreligieuze dialoog kunnen komen, in dienst van vrede en gerechtigheid.
Nieuwe afgoden? Idolatrie als bron van geweld
"Gij zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij" (Ex. 20,3). Deze bijbelse belijdenis van de éne God impliceert ook direct het verbod op idolatrie: op de vergoddelijking en de verering van binnenwereldse realiteiten.
In het licht van deze belijdenis organiseerden het Centrum voor Vredesethiek en Pax Christi Vlaanderen op 1 maart 2001 tijdens hun jaarlijkse vredesdag een colloquium over het thema: Nieuwe afgoden? Idolatrie als bron van geweld. Onder massale publieke interesse kwamen verschillende vragen aan bod: Wat maakt bepaalde fenomenen tot idolen die de mens in de ban houden? Welke zijn de nieuwe idolen van deze tijd? Wanneer moeten we van idolatrie spreken? In welke gevallen kan een blindelings vertrouwen of 'verafgoding' leiden tot geweld?
Tijdens drie plenaire voormiddaglezingen werd de radicaliteit van het bijbels idolenverbod uitgediept vanuit joods en christelijk perspectief. Moraaltheologen Marcel Poorthuis (Katholieke Theologische Universiteit Utrecht), Jürgen Manemann (Universität Münster) en Gerrit Manenschijn (professor emeritus Theologische Universiteit Kampen) bespraken zowel het aspect van de aanbidding van valse goden, als het aspect van de valse aanbidding van de ware God aan bod. Ook de sociaal-ethische dimensie van het idolenverbod werd van naderbij onderzocht.
Tijdens de namiddag werd in verschillende werksessies verder ingegaan op een aantal actuele profane idolen. Sprekers waren onder meer: Bart Pattyn (Filosofie KU Leuven), Bart Vanreusel (Lichamelijke Opvoeding, K.U. Leuven), Kris Dierickx (Biomedische Ethiek, K.U. Leuven) and Sylvain De Bleeckere (Filosofie, Provinciale Hogeschool Limburg). Volgende fenomenen kwamen aan bod: Glamour, virtueel geweld en gedroomd geluk; topsport als catwalk: lichaamscultuur en de look; genetische gezondheid als mythe; beurs, winst en eigenbelang; Twilight of Idols or: How to do Theology with a Hammer; goden na God?; en het geloof in de computer. Wat maakt deze fenomenen tot idolen die de hedendaagse mens in de ban houden? Wanneer verworden ze tot idolatrie? Hoe kunnen we positief, niet-idolatrisch, met al deze scheppingsgaven omgaan, zodat we noch in goedkoop cultuurpessimisme, noch in fanatisme en geweld terechtkomen? Deze en andere vragen werden -na een korte inleidende lezing met betrekking tot een bepaald 'idool'- tijdens de respectievelijke werksessie in groep bediscussieerd.
De Vredesdag werd afgesloten met een algemene lezing die de thematiek van fascinatie en idolatrie vanuit haar religieuze dynamiek en psychologische wortels hernam. Professor Emeritus Antoon Vergote sprak over monotheïsme en idolatrie en deed deze in zijn kritische en bevrijdende betekenis oplichten; zowel naar binnen toe voor het godsdienstig leven zelf, als naar buiten toe voor de cultuur en samenleving in hun geheel.
Eigen grond eerst? Hoe multicultureel kan een samenleving worden?
In 1998 lanceerde Prof. Dr. Eugeen Roosens (Culturele en Sociale Antropologie, K.U. Leuven) in zijn boek 'Eigen grond eerst?' het uitdagende concept van de 'primordiale autochtonie'. Dit concept kent een bijzondere betekenis toe aan individuen en groepen ten aanzien van een bepaald territorium, op basis van de afstamming van de ouders en voorouders die als eersten op deze grond hebben gewoond. Verwantschap of 'bloed' creëert verbondenheid met de grond. Om deze reden hebben autochtonen meer recht om op het territorium te zijn dan nieuwkomers.
Het concept van 'primordiale autochtonie' lijkt voor zoveel mensen vanzelfsprekend, omdat het de onuitputtelijke solidariteit van de verwantschap en de vertrouwdheid met de omgeving van de kinderjaren combineert. "Wij waren hier het eerst" luidt het dan. Bovendien verklaart het waarom etniciteit en 'nationaal behoren' als positieve waarden kunnen worden afgeschilderd en aangevoeld.
Het concept van de 'primordiale autochtonie' roept anderzijds ook veel gemengde gevoelens op. Niet iedereen lijkt zomaar bereid om af te zien van de grond waarop hij of zij zich het 'eerst' bevond. Voor sommige opiniegroepen is deze primordiale aanwezigheid zelfs voldoende reden om de controle op de publieke sfeer in de maatschappij binnen een bepaald territorium voor zichzelf op te eisen. Hier dreigt het toebehoren door middel van biologische afstamming en eigen grond te leiden tot de uitsluiting van een groot aantal mensen en om te slaan in xenofobie en racisme. Het welslagen van de multiculturele samenleving lijkt dan ook afhankelijk van het moeizame zoeken naar leefbare compromissen tussen eigen volk en ander volk.
Verloop van het colloquium
Na de verwelkoming door Prof. dr. Johan De Tavernier geeft drs. Bart Verbesselt een inleidende lezing met betrekking tot het thema. Na deze lezing wordt vanuit de Sociale en Culturele Antropologie; de Sociale Psychologie en de Sociale en Politieke Filosofie gereageerd op het concept van de 'primordiale autochtonie'.
Marie-Claire Foblets, die Roosens opvolgde als afdelingshoofd van het departement Sociale en Culturele Antropologie, beaamt enerzijds de kracht van de autochtonie, maar vestigt anderzijds ook de aandacht op een nieuwe piste in het allochtonenbeleid: het zogenaamde woonlandbeginsel. Dit is een nieuwe autochtonie vanuit de plurale samenleving waarbij mensen die zich ergens duurzaam gevestigd hebben, enerzijds wel àlle rechten en plichten aannemen van het woonland, maar anderzijds ook afstand doen van hun "dubbele statuut".
Sociaal psycholoog Norbert Vanbeselaere tracht het principe van "primordiale autochtonie" te duiden vanuit de Sociale Identiteits-Theorie. Deze theorie stelt dat elk individu zijn sociale identiteit ten dele ontleent aan één of meerdere groepsprototypes. Toch hoeft de toewijzing van een sociale identiteit niet automatisch te leiden tot discriminatie. De identiteiten van subgroepen kunnen in een groter geheel ook met mekaar verbonden worden. Discriminatie is geen evidentie.
Politiek filosoof André Van de Putte stelt dat het inzicht in de problematiek van het multiculturalisme start bij het au sérieux nemen van de diepe verbondenheid die mensen opgebouwd hebben met een bepaalde streek. Mensen hebben nood aan erkenning van de eigen identiteit. Een rechtvaardige samenleving moet hieraan tegemoetkomen. Onze op het liberalisme gevestigde natiestaten zijn volgens Van de Putte evenwel niet goed gewapend om aan deze uitdaging gehoor te geven. Hun logica van inclusie en exclusie veroorzaakt een wederzijdse angst in het kamp van zowel autochtonen als allochtonen. Deze angst kan alleen maar worden weggenomen wanneer men naast keuzevrijheid ook de identiteit erkent.
Tijd voor vereffening, tijd voor vergeving
Op 17 februari 1999, de vredesdag van de K.U. Leuven, richtte de faculteit Godgeleerdheid een colloquium in met de titel: Tijd voor vereffening, Tijd voor vergeving. Deze verwijst naar het bijbelse boek Prediker dat de slogan: ‘Er is een tijd voor alles!’ hanteert om onze aandacht te vestigen op een aantal contrasterende gebeurtenissen uit het menselijk bestaan. Op de vredesdag van 1999 wilden we nagaan wat een tijd voor vereffening en een tijd voor vergeving als elkaar aanvullende tegenpolen betekenen.
Vereffening ervaren we eerder als kil en zakelijk zoals het geld waarmee we effen rekeningen maken. Vergeving daarentegen roept een heel andere wereld van genade en erbarmen op. Meteen komt de vraag: wat hebben vereffening en vergeving met elkaar te maken? Sluiten beide elkaar uit of veronderstellen ze elkaar? Vereffening zien we bovendien zowel op individueel als collectief vlak aan het werk. Vergeving daarentegen lijkt een categorie die niet geschikt is voor de harde sociale en politieke realiteit. Tijdens het colloquium lieten we ons leiden door een aantal hedendaagse inzichten uit de menswetenschappen en de antropologie. Eén van deze is afkomstig uit de hedendaagse contextuele psychiatrie. Sinds enige tijd heeft de Hongaars-Amerikaanse psychiater Boszormenyi-Nagy de verborgen loyaliteiten die we meedragen uitgediept. Botsende loyaliteiten tasten het basisvertrouwen aan. Er kan een destructief recht uit ontstaan. Dialoog wordt in dit geval onmogelijk. Nagy wijst in dit verband o.a. op de weg van ontheffing van schuld om herstel van vertrouwen weer mogelijk te maken. Binnen dit geheel vindt vergeven geen duidelijke plaats. De mogelijkheid tot vergiffenis wordt noch bevestigd noch ontkend. Wat betekende vergiffenis aanvankelijk in de bijbel? En indien vergiffenis vandaag opnieuw iets kan betekenen, is dit enkel op individueel vlak of ook op maatschappelijk en politiek vlak? Kortom: is herstel van vertrouwen ook door vergeving mogelijk? Maar dan mag er niet goedkoop te werk worden gegaan. Vergeving kan nooit de ernst van het aangedaan kwaad verdonkeremanen.
Het opzet van het colloquium was een kritisch-doordenkende bijdrage te leveren zowel vanuit de bijbel, vanuit de therapie, vanuit de meer dagelijkse omgang met vijanden op politiek vlak als vanuit een nieuwe spiritualiteit rond vergeven in politiek en pastoraal verband. Daarbij kwam de vraag terug of vergiffenis van die aard is dat de relatie met haar tegenpool van vereffening kan en moet worden aangehouden? Is er werkelijk een tijd voor vereffening en een tijd voor vergeving? Het spanningsveld tussen vereffening en vergeving dient op individueel, relationeel en politiek vlak, in een toegankelijke vorm te worden verhelderd. Het colloquium wou in deze context een poging zijn om op grond van wetenschappelijk onderbouwde inzichten vanuit een christelijk-ethisch perspectief een bijdrage te leveren aan de discussie rond dit breed maatschappelijke probleem, met een bijzondere aandacht voor de praktische pastorale en sociale implicaties van de reflectie.
Verloop van het colloquium
In de voormiddag werd in twee fundamentele bijdragen een algemeen kader geschetst om de fenomenen vereffening en vergeving als individuele en sociale realiteiten te duiden en kritisch te evalueren, enerzijds vanuit christelijk sociaal-ethische, anderzijds vanuit therapeutisch-pastorale hoek. In de namiddag werd door twee wereldautoriteiten terzake uitdrukkelijk ingegaan op de vraag naar vergeving als politieke categorie en wordt de vraag gesteld naar de praktische realiseerbaarheid van vergeving. Tevens werden ervaringen en inzichten aangebracht vanuit de Tweede Oecumenische Bijeenkomst over verzoening in Graz. In een afsluitend panel werden de ontwikkelde inzichten in een gesprek met het publiek bij elkaar gebracht.
Heeft de traditie van de mensenrechten toekomst?
In 1998 wordt de vijftigste verjaardag herdacht van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Steeds meer worden de mensenrechten vandaag naar voren geschoven als een soort universele ethiek waarnaar alle volkeren en rassen zich moeten voegen. Wat de toets van de mensenrechten niet kan doorstaan, dient zonder meer als mensonwaardig bestreden te worden. De mensenrechten lijken wel de tien geboden van de twintigste eeuw. Met het succes van de mensenrechten, zwelt ook de kritiek aan tegen dit vertoog. Gaat het niet om een louter westers en eurocentrisch verhaal dat aan de hele wereld opgedrongen wordt? Wordt daarmee geen onrecht gedaan aan de verscheidenheid van ethische gevoeligheden, culturele praktijken en religieuze tradities?
In dit colloquium wordt de problematiek van de mensenrechten vanuit twee perspectieven behandeld, met name vanuit ethisch-theologisch en politiek standpunt. Hoe verhouden de mensenrechten zich ten aanzien van religieuze tradities, in het bijzonder de christelijke traditie, historisch en ethisch-theologisch? Moeten christenen zich opwerpen als de vurige verdedigers van de mensenrechten? Of holt het mensenrechtenvertoog de rijkdom van de particuliere christelijke traditie uit? Mag ontwikkelingssamenwerking politiek en ethisch gekoppeld worden aan het eisen van de mensenrechten? Of is dit soort politiek cultuurimperialistisch en daarom onethisch?
Verloop van het colloquium
Na de verwelkoming door de voorzitter van het Centrum voor Vredesethiek geeft Prof. Dr. B.J. De Clercq zijn afscheidscollege aan de Faculteit Godgeleerdheid. Prof. B.J. De Clercq heeft aan de Faculteit Godgeleerdheid vele jaren het college Sociale Moraal gedoceerd. Hij bouwde in de loop der jaren inzake de mensenrechtenproblematiek een grote expertise op (Cfr zijn bekende werk B.J. De Clercq, Wegen naar gerechtigheid: een christelijk geïnspireerde ethiek van het maatschappelijk leven, Leuven, Acco, 1990). Na een korte koffiepauze behandelt Dr. R. Moreels de vraag of ontwikkelingssamenwerking gekoppeld mag worden aan de mensenrechtendiscussie. Dr. Moreels spreekt als Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, maar tevens als arts en als iemand die binnen de christelijke geloofstraditie staat (Cfr zijn recente boek R. Moreels, Hoop voor de naakte mens. Abdijgesprekken met Omer Tanghe, Tielt, Lannoo, 1997). Na beide lezingen gaan Prof. De Clercq en Dr. Moreels onder leiding van Prof. J. De Tavernier in een samenspraak en in discussie met de deelnemers. Het colloquium wordt afgerond met een hommage aan Prof. Dr. B.J. De Clercq, een korte toespraak van de Decaan van de Faculteit Godgeleerdheid, Prof. M. Vervenne en een receptie. In deze context wordt door Prof. D. Pollefeyt een nieuw boek over mensenrechten, met bijdragen van meer dan dertig specialisten, aan het publiek en de pers voorgesteld en aan Prof. De Clercq aangeboden.
Internationaal colloquium over ethisch fanatisme te Leuven
Op woensdag 26 februari 1997 ging onder ruime belangstelling aan de Faculteit Godgeleerdheid een colloquium door onder de titel Ethische passie tussen radicaliteit en fanatisme. Dit colloquium werd georganiseerd door het Centrum voor Vredesethiek (KU Leuven) en Pax Christi Vlaanderen. Er waren meerdere Alumni van de Faculteit Godgeleerdheid op deze `Vredesdag´ aanwezig. Uitgangspunt van het colloquium vormde de vaststelling dat vandaag in de samenleving nieuwe vormen van ethisch fanatisme de kop opsteken. Men denkt hier bijvoorbeeld aan de radicale, soms hardnekkige verdediging van dierenrechten. In het ethisch fanatisme totaliseert het ethisch bewustzijn zich op zo'n manier dat het zelf bron wordt van uitsluiting en gewelddadigheid. Christenen zijn op grond van deze mogelijke, gewelddadige pervertering van de ethiek vaak geneigd om het ethisch leven onmiddellijk in een eindtijdelijk perspectief te situeren. Het risico bestaat echter dat dit leidt tot ethische immobiliteit, bevestiging van de heersende status quo van onrecht en het verlies van een duidelijke en eigen christelijke identiteit. In onze pluralistische tijd hoort men dikwijls de klacht dat het niet langer duidelijk is waarvoor christenen eigenlijk staan. In dit colloquium stond deze spanning tussen (noodzakelijke) ethische radicaliteit en (gevaarlijk) ethisch fanatisme centraal. Men kan enerzijds proberen het fanatisme te vermijden door in maatschappelijke, ethische debatten te zoeken naar een compromis, een redelijke uitleg en een voortdurende nuancering. Hierdoor dreigt men evenwel terecht te komen in een relativering van het kwaad en in een vervlakking van de christelijke eigenheid. Op die manier hebben christenen in sociaal-ethische omwentelingen vaak de boot gemist. De onverzettelijkheid van de ethische inzet kan anderzijds nieuwe vormen van kwaad en geweld voortbrengen. In de voormiddag werd in de bijdrage van Dr. Didier Pollefeyt (F.W.O.-V., Faculteit Godgeleerdheid, Leuven) de antropologische, ethische en theologische dynamiek van het fanatisme geschetst, en werd aangetoond dat wanneer het christelijk radicalisme ontaard in fanatisme het wezen zelf van de christelijke boodschap geweld wordt aangedaan. In de bijdrage van Prof. Dr. Stanley Hauerwas (The Divinity School, Duke University, North Carolina) werd een pleidooi ontwikkeld voor een `christelijk radicalisme'. Deze bekende verdediger van de `narratieve ethiek' onderbouwde de stelling dat christenen in een wereld van geweld ware `terreur' kunnen uitoefenen door een radicaal geweldloze opstelling. In de namiddag werd dieper ingegaan op verschillende concrete maatschappelijke probleemvelden waarin de thematiek van radicaliteit en fanatisme zich aandient: Mensenrechten voor dieren? (J. De Tavernier & C. Parmentier), Anti-abortusbeweging als vorm van ethische passie? (P. Schotsmans & L. Kiebooms), Fanatisme en pacifisme in de bijbel (E. Rooze & M. Vervenne), Zin en onzin van de bergrede in de economie (A. Van Put & C. Ambachtsheer), Antidiscriminatiewetten?: christelijk of juist niet? (R. Stockman & F. Van Looveren) en Tot vrede in staat: de brief van de Nederlandse bisschoppen over vrede (F. Van Iersel & J. Hanssens). In de afsluitende plenaire zitting werden de ontwikkelde inzichten in bijbels-theologisch perspectief bij elkaar gezet door Prof. Dr. Roger Burggraeve (Voorzitter Centrum voor Vredesethiek, Faculteit Godgeleerdheid, Leuven). In deze bijdrage werd benadrukt dat de grond voor het ethisch radicalisme in de kern van Jezus' boodschap zelf zit: Zijn verkondiging van Gods Rijk en van een ethisch gekwalificeerde God die verontwaardigd is over het kwaad. Tegelijk werd gepleit voor een christelijk-ethische passie zonder fanatisme. Gods Rijk valt nooit samen met de geschiedenis. Alleen de onzichtbare en transcendente God is definitief en ultiem. De publikatie van de teksten van dit colloquium is in voorbereiding. Voor verdere informatie: Centrum voor Vredesethiek, Faculteit Godgeleerdheid, Sint Michielsstraat 6, B-3000 Leuven.
Internationaal Colloquium
De christelijke kerken en de christelijke theologie hebben eeuwenlang gepoogd om hun eigen identiteit te vestigen door tegelijk de identiteit van het jodendom in diskrediet te brengen. Christenen stelden (stellen) zich vaak de vraag of Israël nog steeds het Volk van God is, en of de Kerk in de heilsgeschiedenis de plaats van Israël niet heeft ingenomen. Een positief antwoord op deze laatste vraag wordt vaak omschreven als de `theologie van de substitutie' (ook: `vervangingsleer'): de Kerk heeft de plaats ingenomen van (`heeft zich gesubstitueerd aan') het jodendom. Het gevolg van deze leer is dat er niet langer plaats is voor Israël in Gods heilsplan. De geschiedenis van het christelijk antijudaïsme is het dramatische bewijs van het gewelddadig potentieel dat impliciet in deze christelijke theologie van de substitutie besloten ligt. De zoektocht naar een alternatief voor deze theologie is voor christelijke kerken en voor de christelijke theologie na Auschwitz een plicht en raakt het hart zelf van de christelijke identiteit. De centrale vraag van dit boek is of en hoe het christendom haar eigen identiteit kan handhaven als het zichzelf niet langer beschouwt als het substituut van het jodendom. Hoe kunnen we de getuigenis van het eigen geloof combineren met een respect voor de overtuiging van anderen? Kunnen christenen een positieve betekenis geven aan het joodse `Nee' aan Jezus? En kunnen joden een positieve betekenis geven aan het christelijke `Ja' aan Jezus? Is er nood aan een poging tot evangelisatie van het joodse volk? Of is er een basis in het christendom en het jodendom om aan de andere godsdienst een heilsbetekenis toe te kennen? Kunnen christenen en joden in een pluralistische wereld een coalitie vormen om samen te werken aan de realisatie van het Rijk Gods op aarde?
Didier Pollefeyt toont aan hoe het thema van de substitutie het basisprobleem vormt van de joods-christelijke dialoog. Bertold Klappert ontwikkelt een alternatief voor de theologie van de substitutie aan de hand van een aantal protestantse theologen. Leon Klenicki ontwikkelt vanuit een joods perspectief een theorie van de dialogale ontmoeting tussen joden en christenen. Terrence Merrigan analyseert de herontdekking van het jodendom binnen het christendom, in het licht van de postmoderne uitdaging van het religieus pluralisme. Rik Hoet ontwikkelt een aantal bijbelse metaforen die kunnen dienen als een alternatief voor de christelijke vervangingsleer. Zie verder ook de wetenschappelijke publicatie.
